Wanneer moet je zo’n woord nou aan elkaar vast schrijven en wanneer niet? En soms zie je een streepje tussen bepaalde woorddelen staan, of er wordt een trema gebruikt. Hoe zit dat dan?
Een korte samenvatting:
📝 Een samengesteld woord (een woord waarvan alle onderdelen zelfstandig te gebruiken zijn) schrijf je helemaal aan elkaar vast.
Bijvoorbeeld: wittewijnglas.
📢 Uitzondering: bij een zogenaamde klinkerbotsing gebruik je (voor de leesbaarheid) een koppelstreepje.
Bijvoorbeeld: mee-eten.
❌ Dus niet: meeëten. Want “mee” en “eten” zijn allebei zelfstandig te gebruiken.
📝 Bij een afgeleid woord (een woord waarvan niet alle onderdelen een zelfstandig woord zijn) gebruik je een trema bij klinkerbotsing in plaats van een koppelstreepje.
Bijvoorbeeld: geëvenaard. En ook: met z’n tweeën.
❌ Dus niet: met z’n twee-en. Want “en” wordt in dit geval niet als het zelfstandige naamwoord in de betekenis van “plus” gebruikt, maar als een achtervoegsel.
📢 Een samengesteld woord met meer dan twee delen schrijf je alleen aan elkaar vast als het eerste woord alleen maar betrekking heeft op het tweede woord.
Als voorbeeld: de ober zette het wittewijnglas op tafel.
Bedoeld wordt: de ober zette een glas voor witte wijn op tafel.
“De ober zette het witte wijnglas op tafel” betekent dat de ober een witgekleurd (aan elkaar vast dus!) wijnglas op tafel zette. 😶
📝 Een samengesteld woord met een afkorting schrijf je met een koppelteken.
Bijvoorbeeld: pc-scherm.
Succes met deze opfrisser!