Daar gaan ze dus van uit.
En niet: daar gaan ze vanuit.
(Overigens gebruik ik deze zin als voorbeeld, niet als een bewering …)

Hoe vaak je het woord ‘vanuit’ als één woord moet schrijven, in dit geval dus niet.
Wat een lelijke instinker … Hoe kun je dat nou onthouden?

Het is inderdaad niet echt gemakkelijk. Maar de clou is dat ‘we uitgaan van iets’. Het woord ‘uit’ hoort dus bij het woord ‘gaan’ en niet bij het woord ‘van’. Ga je ‘uit’ en ‘gaan’ uit elkaar trekken, dan ga je ‘uit’ vervolgens niet opeens aan ‘van’ vastplakken.

Het woord ‘vanuit’ heeft namelijk een heel andere betekenis.
Bijvoorbeeld: ‘De kerstkaarten gaan vanuit de brievenbus op weg naar hun bestemming.’

Bedenk dus even in een geval als dit: het zal ervan afhangen waar het woord ‘van’ bij hoort of je er wel of niet een ander woord aan vast gaat plakken.
Daar hangt het helemaal van af. Want anders hangt er iets ergens vanaf te bungelen …

Omdat ik er niet van uitga dat kerstkaarten altijd op tijd bezorgd worden, zet ik de mijne hier naar. (Met dank aan AI.)
Fijne feestdagen en een goed jaar 2025 gewenst!